Romeinen en Velsen ” …castello cui nomen Flevum”

Artikel Westerheem, special Kennemerland 2012, No 6, jaargang 61, p. 357-369.

Door Arjen Bosman

Een begin met een citaat in Latijn vraagt om uitleg. Ook al is het een zogenaamde dode taal, de eerste regel in de titel is alles behalve dood(s). Het citaat is van Tacitus en het is een deel van de eerste overgeleverde beschrijving van het gebied waarin de jarige AWN-afdeling Kennemerland opereert. Dit artikel zal een overzicht proberen te geven van de Romeinse tijd in Velsen, de plaats die Tacitus met name noemt.

AWN in Velsen
Een artikel over Romeins Velsen in Westerheem? Romeinen en Velsen zijn synoniem. Bovendien ligt de bakermat van de AWN ook nog eens deels verscholen in beide begrippen. Het was immers ons aller ere-voorzitter H.J. Calkoen die daar in 1945 de eerste Romeinse scherven herkende. De plek waar deze gevonden waren, en waar hij zelf ook nog het eerste terra sigillata fragment met stempel opraapte, werd voor de ontstaansgeschiedenis van de AWN van doorslaggevend belang. Die plek is namelijk waar nu de Velsertunnel ligt. En dit soort kolossale werken stond symbool voor de wederopbouwperiode waarvan Calkoen en zijn medestanders het grote gevaar zagen voor het verloren gaan van veel archeologische waarden. Hun wil om zich te organiseren en zo te redden wat er te redden valt, leidde tot het ontstaan van de A.W.W.N. Het exclusieve westelijke element is er na de wijziging in AWN inmiddels bijna een halve eeuw af en geldt er een vrijwel nationale actieradius van de georganiseerde amateurs. Wat Velsen betreft gaat het belang het nationale niveau inmiddels te boven, en kan er met recht van een internationaal belang worden gesproken. En dat is behalve aan de expansiedrift van wat Romeinen vooral ook te danken aan de enorme inzet van de amateur-archeologen die Velsen letterlijk op de (Romeinse) kaart hebben gezet.

Locaties van Velsen 1 (fase 3) en Velsen 2 ten opzichte van elkaar aan de linker oever van het Oer-IJ (blauw), in rood de fortterreinen en in geel het werkgebied of annex. Ter hoogte van Velsen 2 zijn er twee mogelijke oeverpatronen (naar J.-M.A.W. Morel).

Locaties van Velsen 1 (fase 3) en Velsen 2 ten opzichte van elkaar aan de linker oever van het Oer-IJ (blauw), in rood de fortterreinen en in geel het werkgebied of annex. Ter hoogte van Velsen 2 zijn er twee mogelijke oeverpatronen (naar J.-M.A.W. Morel).

Romeins Velsen
In Velsen zijn meerdere vindplaatsen van belang in het kader van dit artikel dat een overzicht probeert te geven van de Romeinse tijd in Velsen. Het zal gezien de ruimte die hiervoor kan worden gebruikt in Westerheem noodgedwongen een globaal overzicht zijn. Er is namelijk veel te vertellen, dus moeten we kiezen. De eerste keuze is makkelijk, want we kunnen niet om de Romeinse militairen heen. Alleen al daarvan zijn er twee forten te beschrijven, waarvan de oudste vrijwel volledig is opgegraven en wat twee proefschriften heeft opgeleverd. Van het andere fort is via het door NWO gefinancierde Odyssee programma een schat aan nieuwe gegevens en inzichten beschikbaar gekomen. De inheemse of Friese component is voor de regio Velsen iets lastiger in een overzicht te verwerken. Er zal hierbij worden teruggevallen op de opgravingen die zijn uitgevoerd op het Hoogoventerrein. In de gemeente Velsen zijn bij waarnemingen talrijke sporen van inheemse bewoning gevonden, maar iets grootschaliger opgravingen zijn er weinig. In de Velserbroek is er ondanks vele opgravingen alleen, en dat na 20 jaar op de plank liggen, inmiddels een goed overzicht van sporen en vondsten uit de Romeinse tijd van een rituele plaats in het zuiden van de polder .

Lokale bevolking
Al ruim voor de Romeinen richting Velsen optrekken, is de aanwezigheid van een lokale bevolking aantoonbaar. In ieder geval op beide locaties ter hoogte van de huidige Velsertunnel en Wijkertunnel waar ze hun forten en havens zullen aanleggen, zijn er activiteiten aanwijsbaar op basis van vondsten uit de late ijzertijd. Interessant is uiteraard de vraag of de Romeinen die lokale bevolking van hun plek verdreven hebben. Hierop is een antwoord alleen op basis van bijvoorbeeld aardewerk uiterst lastig. Probleem is vooral dat er slechts in beperkte mate sporen zijn overgebleven. De beide forten zijn aan de linkeroever van het Oer-IJ aangelegd. Bij de achtereenvolgende laatmiddeleeuwse overstromingen is dit precies de zone waar het water zijn grootste erosieve kracht ontwikkelt en de voormalige oevers tot minstens anderhalve meter diepte afvoert. Hiermee zijn alleen de diepst ingegraven of ingeheide sporen over. De zwaar gefundeerde Romeinse resten zijn deels nog wel over, maar voor de beduidend ondiepere inheemse sporen uit de (overgang van de) Late IJzertijd en Romeinse tijd geldt dat niet. Soms is er een klein venster dat ons een blik gunt. Zo zijn ter hoogte van de Wijkertunnel in de paalgaten van een dubbel boothuis in plaggen die in de kuilen zijn teruggestort kleine scherfjes handgevormd aardewerk aangetroffen. De vorm van de profielen en de versiering met nagelindrukken op de wand tonen aan dat dit materiaal vooral uit de late ijzertijd (200-100 v.Chr.) stamt. Een andere in situ vondst is die van een bijna complete pot uit een pre-Romeinse afzetting op de oever van het Oer-IJ. Hiernaast zijn er een groot aantal vondsten van handgevormd aardewerk in verspoelde context. Daarvan is de oorspronkelijke locatie niet meer te achterhalen, maar wel het feit dat het ouder materiaal betreft. Voor de locatie bij de Velsertunnel is er sprake van aardewerk met een verschraling van steengruis uit de overgang van de Late Bronstijd tot de Vroege IJzertijd. Ook zijn uit deze periode fragmenten van vuurstenen ‘sikkels’ geborgen. Wat betreft het aardewerk komen ook vormen voor die uit de Midden- en Late IJzertijd dateren. De aanwezigheid van deze bewoning, mogelijk met een continuïteit tot aan het moment dat de Romeinen komen, kan de locatiekeuze mede hebben bepaald.

Velsen 1
De locatie van het oudste fort van Velsen, bij de Wijkertunnel en bekend onder de naam Velsen 1, ligt ten oosten van de strandwallen en Oude Duinen. Het ligt op een plek waar het Oer-IJ een zandlichaam (oeverwal of mogelijk deel van de binnendelta) van een oudere fase van de geul doorsnijdt. De zandige ondergrond bood door zijn aard en de omkering van het reliëf een voldoende zekere basis voor de bouw van de militaire installaties. Dat de Romeinen hier midden in een route zijn gaan zitten ter hoogte van een doorwaadbare plaats kan op basis van de profielen door het hier relatief diepe Oer-IJ estuarium als niet ter zake worden weggewuifd . Misschien was die route er ooit op andere momenten, maar zeker niet in de vroege 1e eeuw.

Na aankomst van de Romeinen volgt een fort- en havenaanleg in verschillende fasen. Het eerste fort heeft een driehoekige aanleg met een hout-aarde wal en een gracht daarvoor. In de getijdengeul worden een havenplatform en enkele dichte dammen aangelegd. In de tweede fase wordt het fort zwaarder verdedigd. De vorm verandert naar een trapeziumvorm met wal en maar liefst drie V-grachten hiervoor. In de laatste fase blijft dit fort gehandhaafd maar wordt er ten westen een gelijkvormige aanbouw gepleegd, met dit verschil dat er daar twee grachten voor de wal gegraven worden. Het oppervlak van het fort is in deze laatste fase tweemaal zo groot als in de voorgaande twee: 2 ha. Overigens is dit oppervlak zonder de annex of werkgebied dat buiten de primaire verdediging lag. Dit terrein werd omgeven door een enkele gracht, zonder dat er aanwijzingen zijn voor een wal daarachter.
De datering op basis van vondsten, zoals munten, metaal en aardewerk, gekoppeld aan dendrochronologische dateringen, bevestigen dat de bezetting hier gelegerd is geweest tussen 15 en 28 n.Chr. De begindatum is te koppelen aan de tweede Germania campagne van Germanicus, waarbij hij voor het eerst een noordelijke (zee)route gebruikt. De einddatering is gekoppeld aan de Opstand van de Friezen in 28 n.Chr. Het is daarbij opmerkelijk dat het fort in relatief korte tijd ten minste drie enorme verbouwingen heeft gekend. Als er mee rekening wordt gehouden dat de laatste bouwfase alleen in 28 heeft gefunctioneerd, dan nog zijn de 2 hoofdbouwfasen met elk twee subfasen, en een drietal bouwfasen aan de havenwerken in dat tijdsbestek van die schamele 13 jaar gebeurd. Dat geeft voldoende reden om te speculeren over de aanleiding hiervan. In ieder geval komt Germanicus bij zijn tweede campagne in 15 n.Chr. naar het kustgebied en bouwt een fort bij Velsen. Diens campagnes duren tot 17 n.Chr. wanneer hij bevel krijgt de acties af te breken en zich in Rome te melden voor een zegetocht om zijn overwinningen in het Germaanse gebied te vieren. Dat wil echter niet zeggen dat de basis te Velsen wordt verlaten. Het lijkt erop dat een contingent hier gehandhaafd blijft. Zo is het hout dat in een bouwfase aan de kop van één van de havenwerken werd gebruikt, exact te dateren in de winter van 20 op 21 n.Chr. Duidelijk is ook dat met deze bouwfase een einde is gekomen aan het uitbaggeren van de haven. Dat immense werk moet dus in de maximaal 5 jaar daarvoor noodzakelijk zijn geweest. De aanleg van open steigers, waardoor het water nauwelijks meer werd geremd, verbeterde de waterdoorvoer door de haven en verminderde de afzetting van sediment. Bovendien werd een dieper deel van de haven opgezocht voor de aanleg van de steigers. Schepen konden zo in een permanent dieper deel van de hoofdgeul van het Oer-IJ aanmeren.
Het blijft niet lang stil in Velsen. In Velsen 1 wordt de grootste waterput hersteld, waarvoor hout wordt gebruikt dat in 37 n.Chr. is gekapt. Dit wil niet direct zeggen dat de aanpassing in dat jaar is uitgevoerd. Zeker is wel dat er enige tijd is verstreken, mogelijk zelfs zo lang dat niet meer bekend was dat deze put verontreinigd werd door het dumpen van het kreng. Rond 39 n.Chr. keren de Romeinen zeker terug, en wellicht is toen de hiervoor genoemde waterput aangepakt. Dat zouden kwartiermakers geweest kunnen zijn die vervolgens niet de voormalige basis van Velsen 1 herbouwden, maar op strategische punten afbraken ten behoeve van een nieuwe fortlocatie, circa 600 m verder naar het westen. Ze doen dat dan in hetzelfde kader als waarin ze de bouw van Valkenburg 1 regelden. In feite zijn het de noodzakelijke maatregelen die uiteindelijk zullen gaan leiden tot de verovering van Britannia. Langs de Rijn verschijnen diverse nieuwe bases, en op bestaande plaatsen worden verbouwingen gepleegd om de concentratie van troepen en materieel te kunnen herbergen. De acties die de Romeinen dan nog in de noordelijke streken van het vaste land ondernemen moeten ook in dit kader worden beschouwd. Dat Gabinius in 40, en na hem Corbulo in 47 naar het noorden van Germanië trekken, om met name de Chauken te bestrijden, gaat niet zozeer vanuit dit singuliere doel om alleen hen aan te vallen. Het gaat vooral om te bewerkstelligen dat de noordelijke flank gevrijwaard blijft van ongewenste aanvallen van piraten. Iets waar de Chauken regelmatig mee in verband worden gebracht, en waarbij hun operationele mogelijkheden te duchten zijn. Ook de Friezen zijn weer ‘in het gareel’ geholpen. Deze historische vermelding pleit ervoor dat er geen langdurig gebruik is gemaakt van Velsen 1 na het jaar 28. Anders zou de situatie zeker eerder ten gunste van de Romeinen beslecht zijn.

Velsen 2
Het fort Velsen 2 is – ondanks dat de locatie eerder is ontdekt – veel minder bekend dan het oudere Velsen 1. Dat heeft er vooral mee te maken dat op de locatie bij de Velsertunnel nauwelijks is opgegraven, en dat zal voorlopig zo blijven sinds het een rijksbeschermd monument is. Er zijn twee opgravingen uitgevoerd (in 1964 en 1997, beide in een samenwerking tussen IPP (UvA) en AWN) en er is een reeks van waarnemingen, vooral in sleuven voor grote leidingen aan weerszijden van de Velsertunnel. De aandacht is echter na de ontdekking in 1972 van het voorafgaande fort Velsen 1, dat in tegenstelling tot Velsen 2 wel vereenzelvigd kon worden met het historisch bekende Flevum, vooral daar naar uitgegaan. Velsen 2 raakte in de vergetelheid. Te Velsen 1 lag bovendien de noodzaak voor een totale opgraving vanwege de dreigende aanleg van de Wijkertunnel. Dit onderzoek heeft uiteraard het beeld van Velsen 2 ook gunstig beïnvloed. Er zijn namelijk direct vergelijkbare sporen gevonden. In de bouwput van de Wijkertunnel was in 1994 al gebleken dat beide forten aan dezelfde hoofdgeul van het Oer-IJ zijn aangelegd . Echter bij Velsen 2 zijn er tot op heden geen duidelijke aanwijzingen voor een havenaanleg van het model dat in Velsen 1 is gebruikt. Er zijn wel rijen palen gedocumenteerd, maar gezien hun stratigrafische positie zijn dat op zijn vroegst middeleeuwse sporen. Wel is in de geul de Romeinse vondstenlaag gevonden. Die vertoont overeenkomsten met de lagen in de haven van Velsen 1. Ook hier is een laag vol houtspaanders en weggeworpen afval als aardewerkscherven, bot, natuursteen en metaal. Een belangrijke (her)ontdekking is dat een in 1964 als ‘mestlaag’ omschreven spoor, middels het Odyssee onderzoek inmiddels herkend is als de dagzoom van de Romeinse vondstenlaag. Hiermee is de precieze loop van het Oer-IJ en de oever waar de Romeinen hun fort aan bouwden beter in beeld gekomen. In 1982 en 1996 zijn bij waarnemingen in leidingsleuven sporen van de verdedigingsgordel ontdekt. Bij de opgraving in 1997 is hier voor het eerst in het horizontale vlak onderzoek naar gedaan. De ervaring met de sporen van Velsen 1 is toen heel gunstig gebleken. Net als daar is bij Velsen 2 ook een ‘dip’ in de lagen in de ondergrond herkend en als indruk van de hout-aarde wal geïnterpreteerd. Parallel hieraan lopen twee grachten. Echter die grachten liggen aan ‘de verkeerde zijde’, want ten noorden van de walindruk. De verspreiding van het vondstmateriaal neemt ten zuiden van de walindruk sterk af, en markeert de zone buiten het fort. Hiermee is dus sprake van minstens twee verschillende fasen. De met de wal samenhangende structuur wordt bovendien haaks doorkruist door een gracht, wat daarmee nog een derde fase aangeeft. In het uiterste noorden van de opgraving zijn drie planken gevonden, die nog in situ op de bodem van een kuil lagen, onder het verspoelde niveau. In de nabijheid zijn in 1964 ook planken ontdekt, wat aangeeft dat hier een zwaar gefundeerde structuur heeft gestaan. Eén van de in 1997 opgegraven planken bleek van eik, en is dendrochronologisch gedateerd op de winter van 42 op 43 n.Chr. Dat is precies het jaargetijde voorafgaand aan de invasie van Britannia, en is ongetwijfeld met de voorbereidingen daartoe in verband te brengen. Ook valt de datering tussen die van de veldtochten van respectievelijk Gabinius en Corbulo in, wat aangeeft dat opnieuw te Velsen een militair contigent permanent gevestigd lijkt te zijn geweest ook al waren er verder geen militaire campagnes. Deze gedateerde bouwfase en de campagnes van genoemde generaals zouden ook een verklaring kunnen zijn voor de aanwezigheid van minstens drie bouwfasen in Velsen 2, die alle drie een nog veel kortere gebruiksperiode moeten hebben gekend dan die voor Velsen 1 berekend zijn. De totale hoeveelheid vondsten is net als in Velsen 1 in overeenstemming met een aanwezigheid van minstens acht tot negen jaar. Helaas is er zeer weinig vondstmateriaal daadwerkelijk in de op zich reeds zeer schaarse sporen aangetroffen, met uitzondering van hetgeen in de haven of geul is gedumpt.
Binnen die vondsten is het opvallend dat zich in tegenstelling tot Velsen 1 in Velsen 2 een veel hoger percentage militaire artefacten, zoals (delen van) wapens en uitrusting is geborgen. Daarbij is er ook hier sprake van een mix van materiaal van legionarii en van auxiliarii. Hierbij zijn ook een aantal lange afstandswapens zoals pijlen en munitie voor het geschut zoals de ballista. Deze wapens kunnen niet alleen op het land maar ook aan boord van schepen hun dienst hebben bewezen. Net als in Velsen 1 zijn ook in Velsen 2 (vooralsnog) geen schepen gevonden, maar wel onderdelen daarvan, zoals delen van katrollen van de tuigage en zelfs een fragment van een blad van een roeiriem. De Romeinse vloot zal dus ook hier ruim vertegenwoordigd zijn geweest. Namen van militairen kennen we maar in zeer beperkte mate. In feite zijn er slechts drie min of meer compleet. Een

Graffito G(aius) BILIVS (foto P. Vons).

Graffito G(aius) BILIVS (foto P. Vons).

Romeins burger heeft zijn naam onder op een wijnkruik gekrast: G(aius) Bilius. En verder is er een man, mogelijk een centurio met de naam Divix, die een meer Gallische achtergrond kan hebben gehad. Van een ander eindigt de naam op …lerci. Dit zou als Aulerci gelezen kunnen worden, met als verwijzing naar een Gallisch stammenverband zoals door Caesar genoemd in zijn verslag over de verovering van Gallia. Ook hier komt Fries aardewerk voor, zij het wel in beduidend mindere aantallen dan in Velsen 1. Een overeenkomstig fenomeen tussen Velsen 1 en Velsen 2 is dat in beide tussen het handgevormde aardewerk Chaukisch materiaal is aangetroffen. Dat is een opmerkelijk gegeven, aangezien dit materiaal, zeker in de periode van Velsen 2 kan worden beschouwd als ‘waar van de vijand’. De achtergronden zijn dus ongewis: is het materiaal van vertrouwelingen, gidsen of tolken in Romeinse dienst of is het krijgsbuit? Ook al zijn het fraai afgewerkte en versierde potjes, de kwaliteit is altijd nog minder dan de geïmporteerde Romeinse waar. Daarmee zou de tweede verklaring al snel kunnen afvallen. Ook is niet helemaal uit te sluiten dat het materiaal is meegekomen met, of ter plaatse van Velsen is gemaakt door gevangen genomen vrouwen, die bijvoorbeeld als slavin zijn meegevoerd.
Het einde van Velsen 2 is verbonden aan een historische datum: 47 n.Chr. Nog tijdens diens succesvolle campagne krijgt Corbulo van keizer Claudius het bevel zich terug te trekken achter de Rijn. Hij doet dat zoals een gehoorzaam generaal dat betaamd, maar moppert wel. Opvallend is dat hij zich dan terugtrekt achter de Oude- en Kromme Rijn en niet achter het Oer-IJ. De verklaring hiervoor kan zijn dat de strategische waarde van het Oer-IJ aan het afnemen is doordat de monding ter hoogte van het huidige Castricum aan het dichtzanden is. Dit fenomeen zal zich al gedurende de bezetting van Velsen 1 gaan openbaren, mochten de dateringen van de geologische waarnemingen in de geulmonding kloppen. Het is onbekend of in Velsen 2 dezelfde maatregelen zijn genomen om de locatie onbewoonbaar achter te laten. In Velsen 1 waren die wel duidelijk aanwezig. Hiervoor zijn al de onbruikbaar gemaakte waterputten genoemd, een type spoor dat in Velsen 2 nog niet ontdekt is. Ook is er in de haven boven op de Romeinse afvallaag geen ‘koffiedik-laag’ van fijn houtskool gevonden. Deze laag is in Velsen 1 wel beschouwd als een aanwijzing voor het afbranden van (vitale?) delen van het fort. Die laag is afgedekt door een laag ingestoven fijn zand.

Velsen-Hoogovens
Over de inheemse bevolking in Velsen zijn we, zoals boven al aangegeven is, maar matig geïnformeerd. De meest uitgebreide opgravingen naar die context stammen uit de 60-er jaren op het Hoogoventerrein. Ook daar betreft het een samenwerking tussen de amateurs van de werkgroep Velsen-Hoogovens en professionals, in dit geval de ROB. Er is een nederzetting opgegraven waarbinnen minstens twee erven zijn onderscheiden. Op beide erven liggen achtereenvolgens 3 drie-schepige boerderijen. Hier is een interessant

Velsen-Hoogovens, twee erven met boerderij fasen (rood), waartussen greppelsystemen (zwart).

Velsen-Hoogovens, twee erven met boerderij fasen (rood), waartussen greppelsystemen (zwart).

fenomeen waargenomen dat aan de ene kant de strijd geleverd moet worden tegen het stuifzand, en aan de andere kant wordt last ondervonden van het opdringende (kwel)water. Typerend voor beide elementen zijn de vele afwateringsgreppels, die om de haverklap gegraven moeten worden omdat ze zijn dicht gestoven. Het drinkwater moet daarom ook afgeschermd worden. In één van de afgedankte boerderijen worden enkele met een plaggenwand omgeven waterputten aangelegd. De nog staande wanden van de boerderij zullen als een windvang hebben gediend. In een andere nog gebruikte boerderij wordt een stapel handgevormde potten ingegraven. De potten hebben geen bodem meer, en vormen zo een koker tot op het grondwater niveau. Aangezien de boerderijen zijn voorzien van stalboxen is aannemelijk dat hier veeteelt is bedreven. Het stuiven van het zand kan zijn veroorzaakt doordat in het duinzand akkers zijn aangelegd. In ieder geval hebben de bewoners het hier minstens drie, en mogelijk nog meer generaties uitgehouden. Op basis van enkele 1e eeuwse importvondsten kan er al bewoning zijn ten tijde van de Romeinse bezetting van de forten van Velsen. Echter een datering daarna is ook niet uit te sluiten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de twee scherven van eenzelfde terra sigillata kom waarvan scherven in Velsen 1 en op het Hoogovens terrein zijn gevonden. Het is duidelijk dat Friezen scherven hebben geraapt op de verlaten fortterreinen, aangezien het niet te verwachten is dat de Romeinen door ‘betaling’ met afval zaken met hen gedaan hebben. Mogelijk zijn hiermee ook andere Romeinse importen in de directe omgeving te verklaren. De jongste vondsten van Hoogovens dateren uit de 3e eeuw n.Chr. Ook in dit geval betreft het Romeinse importen, zoals een munt van Tetricus I.

Velserbroek
Dit zijn niet de jongste vondsten uit de Romeinse tijd in Velsen. Die stammen uit de Velserbroek. Hier is in de vindplaats B6 een ritueel centrum herkend. De locatie is te kenmerken als een doorgaande route die al in de periode voor de Romeinen gebruikt wordt om via de weg over de Oude Duinen op de strandwal van Haarlem naar die van Santpoort te komen. Ter hoogte van de plaats waar beide zandlichamen elkaar het dichtst naderen, ligt vanaf de strandwal van Santpoort een naar het oosten gerichte zandtong het

Velserbroek B6, opgraving 1991-1992, het zandlichaam (geel) in het omringend moeras (bruin) met karrensporen (paars) en greppels (blauw) en perceelsgreppels (donkergroen).

Velserbroek B6, opgraving 1991-1992, het zandlichaam (geel) in het omringend moeras (bruin) met karrensporen (paars) en greppels (blauw) en perceelsgreppels (donkergroen).

moerasveen van de strandvlakte in. Deze rug is geflankeerd door een greppel aan zowel de noord als de zuidzijde. Hiertussen is een grote hoeveelheid met name metalen voorwerpen geborgen. Ook aardewerk komt voor, maar bovenop de rug zijn de scherven vooral klein van formaat en verweerd. Dit is een gevolg van de intensieve betreding, waarvan de sporen zowel in het vlak als in de profielen duidelijk herkenbaar zijn. Op de zandrug zijn bundels van karrensporen, meer naar de flanken zijn er indrukken van hoeven en mensenvoeten, alle ten teken dat de route intensief is gebruikt. Vondsten van de flanken, en zeker die uit het veen, zijn beduidend groter van formaat en minder gesleten. Hier bleven ze gevrijwaard van slijtage.
Op basis van de vondsten is in ieder geval duidelijk dat hier al in de IJzertijd objecten geofferd zijn. Twee La Tène fibulae, een speerpunt en wellicht een beitel met houten heft zijn hiermee te associëren. Een grotere groep metalen voorwerpen dateert uit de Romeinse tijd. Hierbij is zeker een grote component Vroeg Romeins materiaal. Deze bestaat uit (onderdelen van) wapens, fibulae en munten. Dit zijn de groepen die Roymans beschrijft als de voornaamste vondstgroepen die voorkomen in heiligdommen . Dit geldt voor het Noord-Gallische gebied, net zo als voor het Germaanse gebied. Voor een deel liggen hier dezelfde mechanismen achter die de keuze bepalen voor de te offeren objecten en de plaatsen waar dat gebeurd. Er zijn vondsten van B6 die zeker van na de Romeinse

Een verzilverde Germaanse fibula uit Velserbroek B6 (foto A.V.A.J. Bosman).

Een verzilverde Germaanse fibula uit Velserbroek B6 (foto A.V.A.J. Bosman).

bezetting van de forten van Velsen dateren. Voorbeelden hiervan zijn een denarius van Trajanus, enkele verzilverde schijffibulae, Germaanse kniefibulae en fibulae die ooit voorzien waren van emaille inleg. De jongst te dateren vondst is een verzilverde tutulusfibula uit de 3e en mogelijk nog 4e eeuw n.Chr. Al deze vondsten geven aan dat de doorgaande route met rituele plaats van groot belang blijft, ook na het vertrek van de Romeinen. Nergens anders is in Noord-Holland een locatie waar een dusdanig hoge concentratie van zilveren of verzilverde objecten is gevonden . Onmiskenbaar is dus dat dit een belangrijke plaats voor de Friezen was. Zo zeer zelfs dat, als daar al sprake van is, de concentratie van de Friese macht wellicht niet ver hier vandaan heeft gelegen. Deze locatie is daarmee, naast het strategische belang van de waterweg van het Oer-IJ de tweede belangrijke reden geweest waarom de Romeinen gedurende meer dan 30 jaar een militaire basis hier handhaven. Het water leverde aan de Romeinen de benodigde infrastructuur om het leger en vloot te ontplooien, de nabijheid van het heiligdom en (wellicht) de Friese heersers de mogelijkheid de Friezen aan zich te binden. Er zal een wederzijds belang zijn geweest, dat zelfs na het vertrek van het Romeinse leger deels in stand blijft. De door Tacitus vermelde reis in 58 n.Chr. van Verritus en Malorix naar Rome past in dit beeld. De beide Friese koningen gaan op weg naar keizer Nero om voor hun belangen te pleiten. Ze willen de voor de Romeinen vrij gehouden terreinen zelf in gebruik nemen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de voormalige fortterreinen van Velsen 1 en 2. De beide heren worden afgescheept met wat andere zaken, maar krijgen hun belangrijkste eis niet gehonoreerd. Dat zegt direct iets over de macht die de Romeinen dan blijkbaar nog hebben. Ze zijn in staat ook op afstand hun claim nog te handhaven. Uiteindelijk zal die macht wel afnemen, want van zowel Velsen 1 als Velsen 2 zijn vondsten afkomstig die duiden op een inheemse nederzetting in de 3e eeuw. Of al eerder bewoning plaatsvond is niet helder, aangezien deze datering vooral is gebaseerd op het voorkomen van enkele importen, zoals munten, Oost-Gallische terra sigillata en geverfde waar zoals Trierse spreukbekers.

Vroege middeleeuwen
De Laat-Romeinse periode is in de regio een grote onbekende, zowel in militaire als civiele context. De enige vondsten die in deze periode kunnen worden gedateerd zijn de al eerder genoemde tutulusfibula van Velserbroek B6, en twee ten zuiden van Velsen gevonden munten. Van die munten, beide losse vondsten, is de context niet zeker, en zouden ze ook in een Vroegmiddeleeuwse gebruiksperiode kunnen dateren. Die Vroegmiddeleeuwse context mist in de meeste van de Romeinse vindplaatsen in Velsen. Hooguit is er plaatselijk een Laat Merovingische component. Voorbeelden hiervan zijn Velsen 2 en Velsen-Hoogovens. De historisch bekende plaatsnaam Velserburgh zou vanwege het voorkomen van dit materiaal en enige sporen met Velsen 2 in verband gebracht kunnen worden. Het nieuwe gebruik van Velsen 1 is pas in de Late Middeleeuwen als er klei gewonnen wordt. Wel is er een losse vondst van een zogenaamde Domburg fibula uit de late 6e eeuw, maar deze vondst staat geheel op zichzelf. Ook Velserbroek B6 kent geen continuïteit na de Romeinse tijd. Pas in de 10e of 11e eeuw is sprake dat er opnieuw dateerbaar materiaal, zoals aardewerk wordt achtergelaten. Ongetwijfeld gebeurt dit in een agrarische context. De discontinuïteit is waarschijnlijk het gevolg van vernatting, die tot gevolg had dat de doorgaande route naar een plaats ten zuiden is verschoven, en in feite nog steeds in gebruik is .

Zo resteert er bovengronds weinig tastbaars meer uit de Romeinse tijd in Velsen. De vindplaatsen zijn opgegraven of als ondergronds monument veilig gesteld. Ook de vondsten zijn uit Velsen verdwenen. Waar jarenlang de AWN de trotse gastheren en –dames waren van een tentoonstelling is het materiaal van Velsen 1 geclaimd door het RMO te Leiden en zijn de overige vondsten naar het provinciaal depot van Noord-Holland gebracht. Het is te hopen dat op korte termijn toch weer iets van de zeer belangrijke vondsten te zien zal zijn. Want anders moeten we het doen met de volgende toeristische tip voor een autoritje: neem vanuit het zuiden de A9 en ga via de Wijkertunnel onder de erfgenaam van het Oer-IJ, het Noordzeekanaal door, keer ten noorden daarvan om en neem de A22 en ga via de Velsertunnel weer naar het zuiden (bijvoorbeeld richting Rome). Op deze manier zijn beide fortlocaties doorkruist, zonder ze te zien, maar misschien is de belevingswaarde voldoende…?

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Literatuur

Bloemers, T., H. Kars, A. van der Valk & M. Wijnen (red.), 2010, The cultural landscape & heritage paradox, Protection and development of the Dutch archaeological-historical landscape and its European Dimension, Amsterdam.

Bosman, A.V.A.J., 1997, Het culturele vondstmateriaal van de Vroeg-Romeinse versterking Velsen 1, proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Bosman, A.V.A.J., 2012a, Velsen 2, Het onderzoek naar de Vroeg Romeinse basis in de periode 1945 – 2005,TML rapport 211, Woerden.

Bosman, A.V.A.J., 2012b, Velserbroek B6, Een offerplaats gedurende de Romeinse tijd, Velserbroek, gemeente Velsen, The Missing Link Rapport TML 227, Woerden.

Bosman, A.V.A.J. & W.J. Bosman, 1992, Velsen: Velserbroekpolder, in: P.J. Woltering (red.), Archeologische kroniek van Noord-Holland 1991, Holland 24, 323-326.

Bosman, A.V.A.J. & W.J. Bosman, 1997, Velsen: Velsen 2, in R.M. van Heeringen (red.) Archeologische Kroniek van Noord-Holland over 1996, Holland 29, 352-354.
Bosman, A.V.A.J. & M.D. de Weerd, 2004, Velsen: the 1997 excavations in the early Roman base and a reappraisal of the post-Kalkriese Velsen/Vechten dating evidence, in: F. Vermeulen, K. Sas & W. Dhaeze (red.), Archaeology in confrontation, aspects of Roman military presence in the northwest, studies in honour of prof. Em. Hugo Thoen, ARGU 2, Gent, 31-62.

Diederik, F., 2011, Local pottery found in the Roman military fortress Velsen I, An approach at understanding local pottery from the Late iron Age found at the location of Velsen I, ongepubliceerd manuscript, z.pl. (Schagen).

Erdrich, M., 1996, Rom und die Barbaren. Das Verhältnis zwischen dem Imperium Romanum und den germanischen Stämmen vor seiner Nordwestgrenze seit der späten römischen Republik bis zum gallischen Sonderreich, Proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Heeringen, R.M. van, 1992, The Iron Age in the Western Netherlands, Amersfoort.

Lendering, J. & A.V.A.J. Bosman, 2010, De rand van het Rijk, De Romeinen en de Lage Landen, Amsterdam.
Morel, J.-M.A.W., 1988, De Vroeg-Romeinse versterking te Velsen 1, Fort en Haven, proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Roymans, N., 1990, Tribal Societies in Northern Gaul, An anthropological perspective, Amsterdam (Cingula 12).

Advertenties